Leesbaarheid van uitspraken

Onlangs postte ik een bericht over de langste zin van 2021 uit de database van de rechtspraak.

Die post kreeg nogal wat aandacht: het gebruik van #klaretaal wordt belangrijk gevonden, en terecht. Hoe zit het met de leesbaarheid van gerechtelijke uitspraken? Ik heb een analyse gemaakt.

Data

Van alle uitspraken uit de database heb ik eerst de overwegingen van de rechter gefilterd van:

  • de aanhef (opsomming partijnamen etc.);
  • de “expositie” (de passage waarin de rechter het procesverloop, de feiten, de (rechts)vragen en de standpunten uiteenzet);
  • de beslissing zelf; en
  • eventuele bijlagen.

Dat filteren heb ik gedaan op basis van patroonherkenning (regular expressions). Dat gaat in 90% van de gevallen wel goed. Ik hou dan de overwegingen van ongeveer 45.000 uitspraken over. Die overwegingen zijn onderverdeeld in alinea’s. Elke alinea bestaat weer uit één of meer zinnen. Ik heb als criterium genomen: een alinea is pas een alinea als die een bepaalde lengte heeft (25 tekens) en een zin is pas een zin als die zin ook een bepaalde lengte heeft (ik heb de minimumlengte op 3 woorden gezet).

Met deze criteria heb ik alle zinnen onder elkaar gezet. De zinnen heb ik vervolgens gespecificeerd naar hoofdrechtsgebied: bestuursrecht, civiel recht en strafrecht (het rechtsgebied “overig” heb ik geschaard onder bestuursrecht). Ook heb ik een onderscheid gemaakt naar instantie: de uitspraken met instantie “overig” in het civielrechtelijke rechtsgebied heb ik verwijderd.

Ik kom uiteindelijk op ongeveer 3,4 miljoen zinnen, ruim 77 miljoen woorden en 495 miljoen tekens.

RechtsgebiedInstantie Aantal zinnen
bestuursrechthof          97.056
bestuursrechthoge raad            7.413
bestuursrechtoverig       258.962
bestuursrechtraad van state       218.003
bestuursrechtrechtbank       772.482
civiel rechthof       390.111
civiel rechthoge raad            8.689
civiel rechtrechtbank       631.661
strafrechthof       197.155
strafrechthoge raad          29.894
strafrechtrechtbank       790.562

Leesbaarheid

Hoe bepaal je de leesbaarheid van een tekst? Laten we eerst eens kijken naar het aantal woorden per zin. De rechtspraak had in de overwegingen gemiddeld 22,7 woorden per zin nodig, maar dat verschilt per rechtsgebied en per instantie:

Hoe lees je deze grafiek? De gekleurde “box“ vertegenwoordigt de helft van de zinnen. De streep in de box is de mediaan: ofwel de middelste waarneming. De breedte van de box is een indicatie voor het aantal waarnemingen. De strepen aan de onder- en bovenkant zijn de overige waarnemingen, minus de statistische outliers: voor zover deze de standaard-deviatie te buiten gaan. Die outliers zijn omwille van de duidelijkheid weggelaten.

Wat hier opvalt is dat de zinnen in strafzaken aanmerkelijk korter zijn dan in de andere rechtsgebieden. De zinnen van de Hoge Raad zijn veelal korter dan die in uitspraken van andere instanties. OnzeTaal streeft naar een zinslengte van tussen de 15 en 20 woorden, en vindt tot 25 woorden onder voorwaarden ook nog wel aanvaardbaar (bron: OnzeTaal). Maar 22,7 woorden als gemiddelde? Pfff.  

Als je een score voor leesbaarheid wil geven dan is niet alleen het aantal woorden per zin relevant. Je kunt ook kijken naar aantal lettergrepen, aantal moeilijke woorden en aantal tekens per woord. Zo zijn er door taalkundige verschillende formules bedacht (voor nerds zoals ik ziehier een linkje) en daarmee heb ik de zinnen in de dataset geanalyseerd. De scores per formule komen redelijk overeen. De Coleman Liau-Indexformule (kijkt naar aantal tekens per woord en aantal woorden per zin) geeft de volgende uitkomsten:

Ook hier is verrassend dat de teksten van Hoge Raad aanmerkelijk leesbaarder zijn dan de teksten van andere instanties.

Klare taal-bokaal

Jaarlijks wordt de Klare taal-bokaal uitgereikt aan de rechters die de helderste uitspraken hebben gewezen. Waar zitten die uitspraken met hun score? Ik heb de winnende uitspraken per jaar even “met de hand” in de grafiek vermeld:

Vond je dit een interessante blog? Laat het mij weten! En als je vragen of opmerkingen hebt, dan hoor ik dat natuurlijk ook graag.

De langste zin uit 2021

Dit is de langste zin uit de rechtsoverwegingen in de ECLI-dataset van 2021. Het gaat dus om de passages waarin de rechter zijn motivering formuleert. Opsommingen en citaten heb ik buiten beschouwing gelaten, de rechter is hier echt zelf aan het woord.

De zin telt 1338 tekens en 222 woorden (221 spaties). Er staat ook een spelfout in, kun je hem vinden?

Te lezen in https://lnkd.in/e-YN-pfR

#klaretaal

Alle lopende faillissementen

Download hier het excel-bestand met alle lopende faillissementen. Het bestand is samengesteld door Legal Expert Services and Solutions B.V.

Opmerkingen:

Deze lijst is samengesteld van de lopende faillissementen per einde week 18 2022 (6 mei 2022).
Het insolventienummer en de naam bij natuurlijk personen is om privacy-redenen niet te traceren naar het insolventieregister. 
Sommige faillissementen staan dubbel vermeld, omdat daar meerdere curatoren zijn aangesteld.
De velden onbehoorlijk bestuur, pauliana, bank, bankvordering zijn gebaseerd op het laatste verslag. 
Deze dataset is vrij te gebruiken, een bronvermelding (failimprove.nl en/of Raimond Dufour) wordt op prijs gesteld. 

Test je juridische kennis!

Deze puzzel gaat over de meest voorkomende woorden in de (gepubliceerde) uitspraken van 2021. Het cijfer achter de omschrijving is het aantal keer dat dat woord voorkomt in die uitspraken. De oplossing is het meest voorkomende woord en dat woord komt maar liefst 594.780 keer voor in al die (ruim 48.000) uitspraken.

Wil je meer weten over het tellen van woorden in de jurisprudentie? Check mijn blog hierover: Woorden en tekens tellen

Heb je vragen over de database? Of wil je specifieke informatie daaruit? Of heb je zelf een database (bijvoorbeeld met teksten)? Laat het vooral weten, ik vind het leuk om daarover mee te denken!

kruiswoordpuzzel

Woorden en tekens tellen

Inleiding

De dataset van rechtspraak.nl biedt een grote hoeveelheid uitspraken. Die uitspraken zijn te analyseren, om zo de huidige rechtspraktijk in kaart te brengen, ontwikkelingen te signaleren en, als het even kan, voorspellingen te doen. Waar begin je met die uitspraken?

In deze blog ga ik specifiek kijken naar het aantal tekens en het aantal woorden in de uitspraak zelf. De gebruikte dataset zijn de teksten van gepubliceerde uitspraken die in 2021 zijn gewezen. Het gaat hier om 48.234 uitspraken (februari 2022). Elke maand worden nog nieuwe uitspraken uit 2021 gepubliceerd, maar voor deze blog maakt dat niet zoveel uit.

Wat is het belang van het aantal tekens en woorden? Keer op keer blijkt mij dat de lengte van de uitspraak (of onderdelen daarvan) een belangrijke variabele is bij het bouwen van een algoritme. Als je bijvoorbeeld de computer wil laten vaststellen wat de uitkomst van een uitspraak is, dan is de lengte van die uitspraak een belangrijke indicator daarvoor. Ik zal laten zien dat verschillende soorten uitspraken verschillende “standaard-lengten” hebben. Het gaat hier om observaties van verbanden, maar er bestaat ook wel aanleiding om in voorkomende gevallen causaliteit te veronderstellen: een verzoek dat zelden wordt toegewezen, bijvoorbeeld een wrakingsverzoek, heeft doorgaans een langere tekst omdat de rechter duidelijker wil uitleggen waarom in dat geval wel een wraking op zijn plaats is.

De dataset geeft naast de tekst uitspraak zelf, enige metadata per uitspraak mee. Bijvoorbeeld: wat is de uitspraakdatum, de publicatiedatum en een korte indicatie van de inhoud van de uitspraak. De meeste gepubliceerde “uitspraken” bezitten alleen metadata, maar daar ontbreekt de tekst van de uitspraak zelf.

Een belangrijke beperking van de database van rechtspraak.nl is dat niet elke uitspraak wordt gepubliceerd. Dat betekent dat je alert moet zijn op de significantie van de data die je analyseert. Voor deze blog is dat echter geen probleem.

Tekens tellen

Eerst maar eens kijken naar die 48.234 uitspraken. Het in de dataset meegegeven rechtsgebied is ofwel Bestuursrecht, Strafrecht of civiel recht. Van de uitspraken zijn er 43 uitspraken die behoren tot het internationaal publiekrecht en 5 uitspraken waar geen rechtsgebied is vermeld. Het gaat om zodanig lage aantallen, dat ik deze uitspraken verwijder uit de dataset.

Hoe zit het met verdeling van rechtsgebieden en door de tijd? Een grafiek:

Hoeveel tekens heeft een gemiddelde uitspraak? Ik heb het dan over letters, cijfers, leestekens, en andere karakters. Verschilt dit per rechtsgebied en per instantie? Zit hier ontwikkeling in? Het aantal tekens verschilt erg per instantie.

De lijn in de vierhoek geeft de mediaan, ofwel de middelste waarneming weer. het vlak geeft de 25% waarnemingen boven en onder de mediaan weer. De streep onder en boven het vlak geeft de overige waarnemingen weer, minus de uitbijters: de uitbijters zijn de statistisch uitzonderlijke waarnemingen. We zien in deze grafiek dat verreweg de meeste uitspraken van de Hoge Raad (veel) korter zijn dan die van de hoven. Het verrast overigens niet dat als je, in plaats van het aantal tekens, het aantal woorden telt, de uitkomst nagenoeg hetzelfde is. Wel zie je dat uitspraken in (civiele) dagvaardingsprocedures langer zijn dan in verzoekschriftprocedures.

Bag of words

Als wij elk woord van de gepubliceerde uitspraken in een kolom zetten en per uitspraak tellen hoe vaak dat woord voorkomt, dan heb je (best wel grote) tabel die ook wel een #bag of words# genoemd wordt. Na een beetje opschonen kom ik uit op 265.151 woorden. De meest voorkomende woorden zijn:

Heb je vragen over de database die ik heb gebruikt? Of wil je specifieke informatie daaruit? Of heb je zelf een database (bijvoorbeeld met teksten)? Laat het vooral weten, ik vind het leuk om daarover mee te denken!

Door de curator c.s. gewerkte uren en salaris

In de verslagen noteert de curator hoeveel uren door de curator en zijn kantoorgenoten zijn gewerkt in de betreffende faillissementen. Dataset: 1 juli 2019 tot 1 juli 2020.

De verdeling is als volgt:

Het basisuurtarief was in 2019 en 2020 € 219, exclusief 4% ongespecificeerde verschotten en exclusief btw. Zie de recofa-richtlijnen[1] voor meer info. 

In de dataset zijn 4295 bedrijfsfaillissementen (niet-natuurlijke personen), inclusief clusterfaillissementen. In deze dataset is het aantal uren van 3347 faillissementen bekend. Daar focus ik nu op.

Van die 3347 faillissementen zijn er 2647 geëindigd met een opheffing. Het gemiddeld aantal gewerkte uren bedroeg op het moment van het laatste verslag 65 uur (mediaan: 30,2).

Van die 3347 faillissementen zijn er 656 geëindigd met een uitdeling (of akkoord of integrale voldoening). Het gemiddeld aantal gewerkte uren bedroeg op het moment van het laatste verslag 106 uur (mediaan: 52,8 uur). Voor de 44 overige faillissementen: 96,2 uur gemiddeld, mediaan op 21,4 uur.

Het totaal aantal bestede uren verschilt van de wijze van afwikkeling, en ook wel per rechtbank:

De grafiek is omwille van de leesbaarheid aan de bovenkant “afgeknipt”. De blokken geven de meeste waarnemingen weer,  de streep in blokken de mediaan. Hoe breder een blok, hoe meer waarnemingen. De lijnen tonen de statistisch “normale” waarnemingen, de puntjes de uitbijters.

Wat opvalt is dat de curator (begrijpelijkerwijs) minder tijd spendeert in “opheffers”. Er zijn ook wel verschillen tussen de rechtbanken: De curatoren bij de rechtbank Noord-Nederland hebben doorgaans meer uren nodig om een faillissement af te wikkelen.

Uurtarief en lege boedelproblematiek

Het uurtarief van de curator is relatief hoog. Het standaard uurtarief van een curator met meer dan 11 jaar ervaring bedraagt (inclusief verschotten) ongeveer € 365 exclusief btw. Dat is fors hoger dan het uurtarief dan de (andere) partners in de regel van een gemiddeld kantoor in rekening brengen.  Daar komt bij dat de curator-advocaat voor zijn faillissementen geen actieve acquisitie hoeft te plegen en geen relatief weinig kritische feedback krijgt op zijn gewerkte uren. Aan de andere kant wordt het uurtarief beperkt door het boedelsaldo: geen boedel, geen salaris. De lege boedelproblematiek is ook best relevant: Uit het laatste financiële verslag in de betreffende faillissementen volgt (met enigszins een voorbehoud) dat het gerealiseerde actief in 25% van de faillissementen ca € 5.400 bedroeg. (het voorbehoud zit erin dat de financiële verslagen nog niet gestandaardiseerd zijn, maar doorgaans wel enigszins hetzelfde zijn opgebouwd: rubriek A=ontvangsten, rubriek B=uitgaven, rubriek C=saldo, omdat je niet “rood” staat met een faillissementsrekening is het hoogste bedrag in die verslagen het saldo A).

Werkwijze:

  • Faillissementen zonder totale uren of met minder dan 5 uur gewerkt worden niet meegenomen;
  • Faillissementen waarin een uitdeling plaatsvindt (of vernietigd worden) kunnen het gehele salaris van de curator voldoen;
  • Faillissementen zonder boedelsaldo èn zonder gerealiseerd actief worden niet meegenomen;
  • Boedelsaldo of gerealiseerd actief: het hoogste bedrag wordt meegenomen;
  • Als dit bedrag lager is dan het (fictieve) salaris, dan wordt dit bedrag genoteerd, anders het salaris.

Ik heb geen rekening gehouden met de ervaringsfactor van de curator, in kleine/lege faillissementen wordt veelal een curator met minder ervaring ingeschakeld, dat drukt het uurtarief uiteraard. Wellicht is een differentiatie van het nu gebruikte uurtarief van € 230 gewenst. (Ik beschik over de beëdigingsdatum van een groot aantal curatoren, maar niet van allemaal.)

Constateringen

Met deze werkwijze heb ik 2992 faillissementen gevonden waar een salaris uit te herleiden valt. Het totale salaris van die 2992 dossiers komt neer op ca. 56,3 miljoen euro. Daarvan blijft ongeveer  miljoen euro onbetaald.

Gemiddeld wordt ongeveer voor € 18.800 aan werkzaamheden verricht door de curator cs., maar de mediaan ligt op ongeveer € 9.000. Gemiddeld ontvangt een curator € 12.475 voor zijn werkzaamheden per faillissement, de mediaan aldaar ligt op ca € 4.500.

Je kunt op basis van deze cijfers goed constateren dat de “grote” faillissementen betalen voor de kleine.  Dat verklaart wellicht het relatief hoge uurtarief, maar de vraag is of dit gewenst is. Met name als een systeemwijziging zou leiden tot een lagere recovery-rate bij banken ten behoeve van de boedel, valt te verwachten dat veel boedels eerder zullen vollopen, als gevolg waarvan een lager basistarief van curatoren naar mijn mening gerechtvaardigd zou zijn. Tenzij je kunt zeggen dat de curatoren structureel onderbetaald worden, maar dat lijkt mij niet het geval.


[1] https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/recofa-richtlijnen-voor-faillissementen-en-surseances-van-betaling-2019.pdf

Bancaire vorderingen in faillissementen

Tijdens de behandeling van de WHOA in de Tweede Kamer is opgemerkt dat de recoveryrate van banken te hoog is, waardoor de kansen op uitdeling in een faillissement aan de concurrente schuldeisers worden verlaagd. Hoe zit het met de bancaire vorderingen?

Sinds ongeveer twee jaar voorziet het sjabloon voor het openbaar verslag in faillissementen in de mogelijkheid om de bancaire vordering te vermelden, waarbij ook een toelichting kan worden gegeven op deze vordering. Als je de verslagen afloopt en deze bedragen optelt, dan kom je tot een opsomming van alle bankvorderingen in faillissementen in Nederland.

De dataset die ik hier behandel bestaat uit de faillissementen (en surseances van betaling) van ondernemingen (niet eenmanszaken) die sinds 1 januari 2018 zijn uitgesproken, uiteraard voor zover er verslag in die faillissementen is uitgebracht. Om dubbeltellingen te voorkomen heb ik van clusterfaillissementen slechts één insolventie meegenomen (toezichtzaaknummer eindigt op 01).

Het totaal aan bankschulden bedraagt ongeveer 662 miljoen euro, met een gemiddelde van € 385.000. Maar hoe is die verdeling? Als ik de hoogste 1,5% van de bankschulden weglaat, dan is voor de drie grootste banken de verdeling als volgt:

Uitleg: Het rode blok vertegenwoordigt de middelste helft van de waarnemingen. De breedte is een maat voor het aantal insolventies waarin de bank schuldeiser is. De streep in het rode blok is de mediaan: de middelste waarneming. De verticale streep boven het rode blok betreft de waarnemingen binnen de statische marges, de puntjes daarbuiten zijn de uitbijters (statistische extremen): voor ING is een exposure van € 175.000 al buitengewoon hoog, terwijl iets meer dan de helft van de vorderingen van de Rabobank zo hoog zijn.

Tot slot is interessant hoe de totale bankschuld en de verdeling zich door de tijd ontwikkelen. Wordt de totale bankschuld hoger of juist lager? Ziehier:

De fiscale vorderingen en het fiscale preferentiestelsel in faillissementen

Het is weer tijd voor een stukje over het insolventieregister (CIR). Dit keer gaat het over de fiscale vorderingen in faillissement.

Fiscale schulden in faillissement

De fiscale vorderingen in (bedrijfs)faillissementen bestaan doorgaans uit Loonheffing, omzetbelasting en VPB, in voorkomende gevallen ook wel aangevuld met andere belastingsoorten. In de verslagen wordt één totaalbedrag ingevoerd, dus daar wordt geen onderscheid gemaakt tussen deze soorten.

De cijfers

De gemiddelde belastingschuld van een faillissement bedraagt de laatste jaren ca € 135.000. De helft van de faillissementen van na 2017 had een pre-faillissementsschuld van ongeveer € 30.000 of meer (de mediaan). In een histogram (de gegevens lopen langs de x-as overigens nog wel even door, maar die heb ik voor de duidelijkheid hier verwijderd): 

Van de faillissementen die sinds 1 januari 2018 zijn uitgesproken is dit het beeld (de laatste twee kwartalen zijn nog niet heel representatief):

Per kwartaal komt er dus ongeveer 75 miljoen euro belastingvordering in faillissement. De totale belastingschuld in alle op dit moment lopende faillissementen bedraagt ongeveer 1,15 miljard euro en daar komt de belastingschuld van faillissementen nog bij waar de verslaglegging niet volgens het KEI-sjabloon wordt gedaan (en dat zijn de grotere faillissementen).

Recovery-rate

Wat is de recovery-rate van de Belastingdienst? Daar is geen direct antwoord op te geven, maar het valt wel enigszins te beredeneren. Als wij kijken naar de bijna 3.000 faillissementen die in 2019 zijn afgewikkeld, dan bedroeg de corresponderende belastingschuld ca. 345 miljoen euro.

Van de faillissementen die zijn opgeheven bij gebrek aan baten heeft de Belastingdienst geen uitdeling ontvangen. In vier gevallen zijn alle schulden voldaan, dus ook die van de Belastingdienst (ca. € 500.000 recovery). Van de overige faillissementen kunnen de opgegeven boedelvorderingen worden afgetrokken van het boedelsaldo. Van de positieve bedragen die dan resteren moet in veel gevallen nog een deel van het salaris van de curator worden voldaan.

Maar als ik, heel erg platgeslagen, de boedelvorderingen van het boedelsaldo aftrek en het restant als uitkering toereken aan de Belastingdienst, dan is in 2019 een bedrag van ruim 25,5 miljoen euro aan de Belastingdienst uitgedeeld. In 2018 zou met deze berekening bijna € 27 miljoen euro zijn uitgedeeld.

Dat is nog geen 10%. En die uitdeling staat niet in verhouding tot de schuld van de concurrente schuldeisers: tegenover de schuld van 345 miljoen euro aan belastingschuld stond een concurrente schuldenlast van ongeveer € 1,66  miljard euro.

En ja, de berekening is afhankelijk van een aantal aannames en extrapolaties die heus discutabel zijn en met wat verder doorrekenen nog specifieker kunnen worden bepaald, maar deze aannames maken de orde van de grootte van de genoemde bedragen niet heel wezenlijk anders.

Preferentiestelselwijziging

Met deze bedragen is er ook aanleiding om nog eens na te denken over het preferentiestelsel. Het zou voor de BV Nederland een welkome maatregel zijn als de faillissementsuitdeling hetzelfde systeem zou volgen dat nu al jaren in de wsnp-praktijk zonder problemen wordt gehanteerd: preferente schuldeisers ontvangen het dubbele percentage op hun vordering ten opzichte van het percentage van concurrente schuldeisers. In buitengerechtelijke akkoorden hanteert de Belastingdienst dit criterium al jaren.

Daar zitten veel voordelen aan. Niet alleen zorgt het voor meer betrokkenheid van de concurrente schuldeisers bij een faillissement (hetgeen mij wenselijk voorkomt), maar het geeft ook meer mogelijkheden om een gerechtelijk akkoord aan te bieden, omdat de uitkeringstoets wijzigt: de Belastingdienst vergelijkt het aangeboden akkoord met een scenario van een lagere uitdeling bij liquidatie. Juist ook in combinatie met de WHOA kan dit nieuwe systeem een extra zetje aan een onderhands akkoord geven.

De Belastingdienst ontvangt dan inderdaad minder uitdeling in faillissementen, maar verdient een deel daarvan weer terug via de btw en de vpb. Wordt het niet eens tijd dat de Belastingdienst de Nederlandse ondernemer niet langer in de kou laat staan en de residuen van de Nederlandse faillissementen wat meer gaat delen met handelscrediteuren?

Verantwoording

Voor de data in dit artikel heb ik gebruik gemaakt van de gegevens in de laatste openbare verslagen van faillissementen. Omdat het eerste verslag vrij snel na faillietverklaring wordt uitgebracht en daarin veel nog niet bekendis, heb ik de eerste verslagen niet meegenomen. Van clusterfaillissementen heb ik, omdat vaak geconsolideerd verslag wordt gelegd, alleen één faillissement (toezichtzaaknummer eindigt op 001) meegenomen. Niet in alle faillissementen is het totaal aan fiscale vorderingen vermeld. Je zou kunnen betogen dat de fiscale vordering aldaar nul is, maar ik heb hier het jaarlijks gemiddelde van de (wel bekende) belastingschulden gehanteerd. Voor andere ontbrekende variabelen (boedelsaldo, boedelvorderingen) heb ik dezelfde systematiek gehanteerd. Outliers als gevolg van foutieve invoerd oor curatoren zijn zoveel mogelijk verwijderd.

Het gedijen van gestolen goed

In 1936 speelde de destijds bekende Poolse violist Bronislaw Huberman in Carnegie Hall in New York. Hij had een dubbele vioolkist meegenomen met daarin een Stradivarius en een Guarneri. Het concert (Bach vioolconcert en vioolsonate van Franck) speelde hij op de Guarneri.

Tijdens het concert was er een jonge violist, Julian Altman, die als violist speelde in restaurant The Russian Bear, vlakbij Carnegie Hall. Hij gaf de portier een sigaar, vertelde een smoes en sneakte naar binnen. Daar stal hij de “Gibson Huberman Stradivarius” uit 1713. De diefstal werd nog tijdens het concert ontdekt en tussen het spelen van Bach en Franck aan Huberman verteld, maar hij maakte eerst het concert af. Held.

De diefstal werd niet opgelost. Huberman ontving $ 30.000 van verzekeringsmaatschappij Lloyds, in 1936 natuurlijk een fors kapitaal. Altman, niet te verwarren met de Altman die een wiskundige formule verzon om faillissementen te voorspellen, vertelde niemand over zijn diefstal. Hij was een rokkenjager en had losse handjes. De schoonheid van de viool wist hij te verbergen door de viool in te smeren met schoensmeer.

In de jaren ’60 ontmoette hij Marcelle Hall, met wie hij trouwde. Dat was een turbulente relatie: in 1985 belandde Altman in de gevangenis nadat hij zich had vergrepen aan de kleindochter van Hall. Nee, de persoon Altman roept weinig sympathie op.

Maar zijn straf was korter dan gedacht: Altman had maagkanker en werd opgenomen in het gevangenisziekenhuis. Daar instrueerde hij Hall om zijn viool, die bij zijn collega lag, op te halen en te kijken tussen de kist en de hoes van de kist. Daar vond Hall een krantenartikel over de diefstal van de viool. Na enig aandringen bekende Altman de diefstal en kort daarop stierf hij.

Iemand die op zijn sterfbed bekentenissen aflegt gun je vaak het herstel. Het overkwam Frits Kreisler die op zijn sterfbed toegaf dat hij de historische composities die hij in de bibliotheek had gevonden, zelf had geschreven. Daarop werd hij weer beter en leefde hij nog 27 jaar. Zo verging het niet Julian Altman. Hij stierf kort na zijn bekentenis. Good riddens.

Marcelle Hall had wel door dat zij een kostbare viool in handen had, die wellicht op de markt gemakkelijk herkend zou kunnen worden. Twee jaar na het overlijden van Altman gaf zij daarom de viool terug aan de verzekeraar. En die gaf haar, na enig onderhandelen, een vindersloon van zo’n 25% van de waarde van viool op dat moment die werd begroot op 1,2 miljoen dollar.

Maar toen meldde zich de dochter van Altman uit een eerdere relatie. Zij was de enige erfgename van de nalatenschap. Het vindersloon behoorde volgens haar tot de boedel en kwam haar dus toe. Marcelle Hall meende dat zij de viool had “gevonden”, de uitkering kwam daarom niet aan haar toe en niet aan (de erfgenamen van) de dief. Misdaad mag immers niet lonen.

Het Supreme Court of Connecticut oordeelde uiteindelijk dat de viool toebehoorde aan de nalatenschap en dat Marcelle Hall het vindersloon zou moeten doorbetalen aan de erfgename van Altman.

De zaak naar Nederlands recht
In Nederland verkrijgt ook de dief een gestolen goed na 20 jaar. Die regel gaat al terug tot de Romeinse tijd en vloeit voort uit de gedachte dat het recht werkbaar moet blijven door de feiten te volgen. Misdaad loont dus, maar pas na 20 jaar onbetwist bezit. Deze regel is niet onomstreden: Diefstal mag niet beloond worden.

In 2017 heeft de Hoge Raad echter een uitspraak gewezen over een perceel grond van de Gemeente Drunen dat door een bewoner gedurende langer dan 20 jaar in gebruik was genomen. De Hoge Raad erkent dat de bewoner eigenaar is geworden maar geeft aan dat de oorspronkelijk eigenaar in veel gevallen pas met het bekend worden van de verjaring (doordat de bezitter daar een beroep op doet) bekend wordt met het feit dat een onrechtmatige daad is gepleegd, zodat de verjaringstermijn voor een schadevergoeding pas dan begint te lopen.

Epiloog
Marcelle Hall was vrij laconiek over de procedure. 10% van het vindersloon ging naar een neef die de deal met Lloyds had uitonderhandeld, de rest zou zijn opgegaan aan belastingen en goede doelen. Hall woonde in een caravan en was failliet. Zij overleed in 2001.
De viool werd door Lloyds verkocht aan Norbert Brainin, de primarius van het Amadeus Quartet. In 2001 werd de viool verkocht aan Joshua Bell voor een slordige 4 miljoen dollar. Ja, de prijs van violen schiet omhoog. Hier een filmpje waarin hij over de viool vertelt:

Meer lezen?

https://nl.wikipedia.org/wiki/Fritz_Kreisler
http://www.nytimes.com/1996/11/06/nyregion/stolen-stradivarius-divides-a-family.html
https://nypost.com/2016/03/19/how-a-300-year-old-violin-saved-dozens-from-the-holocaust/
http://articles.latimes.com/1996-11-24/news/mn-2438_1_carnegie-hall
http://articles.courant.com/1996-10-08/news/9610080165_1_altman-s-estate-george-alfred-gibson-gibson-stradivarius
https://en.wikipedia.org/wiki/Gibson_Stradivarius
http://www.nytimes.com/1987/05/14/nyregion/a-stolen-stradivarius-a-51-year-old-secret.html
https://www.leagle.com/decision/1996792239conn5531757

The RC, The Curator and The KPI

(vrij naar The Good, The Bad and The Ugly)

Op dit moment krijgt de beoordeling van curatoren volgens KPI’s veel aandacht. Wat zijn KPI’s? Het concept van de kritieke prestatie indicatoren (of key performance indicators) is bedacht in de jaren ’60 door twee medewerkers van McKinsey. Kritieke prestatie indicatoren zijn criteria die prestaties van organisaties meten. KPI’s behoren smart te zijn, ofwel specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden. Voordat je een KPI formuleert, moet je de verwachtingen formuleren. Wat wordt van een curator verwacht?

Wanneer doet een curator zijn werk goed? Dienstverlening moet snel, goed en goedkoop zijn. Omdat de curator maatwerk levert, maar ook omdat de afwikkeling van een faillissement afhankelijk is van derden en omstandigheden waar de curator geen invloed op heeft, is op voorhand niet goed vast te stellen hoe snel, goed of goedkoop de afwikkeling moet plaatsvinden.

Er zijn echter wel methoden om meer grip te krijgen op deze drie criteria. Zo kunnen de werkzaamheden van de curator worden opgeknipt in verschillende onderdelen. Per onderdeel kan vervolgens een benchmark worden ontwikkeld. In Utrecht geldt als uitgangspunt dat de activa na drie maanden zijn verkocht en dat het (voorlopige) rechtmatigheidsonderzoek na zes maanden is afgerond. Deze uitgangspunten zijn niet in beton gegoten (comply or explain). Dat ziet op het criterium “snel”. Een ander uitgangspunt zou kunnen zijn dat voor bepaalde werkzaamheden een budget in uren wordt begroot (“goedkoop”). Het criterium “goed” zou bijvoorbeeld kunnen worden ingevuld aan de hand van tevredenheidsonderzoeken bij crediteuren of andere betrokkenen.

Richtinggevend aan de uitwerking van de criteria is de huidige praktijk. Rechtbanken en curatoren moeten weten waar zij staan ten opzichte van de huidige praktijk. Het verbaast mij al enige tijd dat curatoren weinig interesse lijken te hebben in een benchmark en zeer kritisch zijn over het invoeren van KPI’s, maar tegelijkertijd behoefte hebben aan meer feedback van de stakeholders (waaronder en met name van de RC’s).

Bij de rechtbanken is het omgekeerd: er is steeds meer ambitie om KPI’s in te voeren en om meer informatie over faillissementen te verkrijgen. Het KEI-systeem is niet alleen een digitaal uitwisselingsprogramma, maar biedt voor rechtbanken ook enorm veel dossieroverstijgende informatie. Rechtbanken lijken evenwel moeite te hebben om deze informatie te delen en met curatoren de dialoog aan te gaan om invulling te geven aan de criteria snel, goed en goedkoop.

Verbetering kan gevonden worden in de uitwisseling van informatie. Ik meen dat wij moeten beginnen met een niet-normatieve beschrijving van de staande praktijk. Aan de hand van die beschrijving kan mogelijk op onderdelen een gewenste praktijk worden gevonden. Bovendien kan deze informatie dienen om “uitbijters” te signaleren. Zo kan de curator of rechter-commissaris eerder bijsturen.

De gevonden informatie biedt ook verbetering op wetenschappelijk gebied. Welk bedrag is jaarlijks gemoeid met welke soorten faillissementsfraude? Precies weten doen we dat niet. Als curatoren per dossier dit soort informatie opgeven, kan fraude veel gerichter worden bestreden. Wat is de internationale component van faillissementen? In hoeveel uur wikkelt een curator een faillissement af? Hangt dat samen met het boedelsaldo of met het aantal werknemers? Wat is de gemiddelde fiscale schuld? En de recovery-rate? Ook trends kunnen snel worden gesignaleerd.

Het geven van spiegelinformatie aan curatoren zal op zichzelf al een positief effect hebben op de kwaliteit van de curator. Aan de andere kant moet je waken voor waardeoordelen op grond van cijfers. Ieder dossier is uniek, een curator levert maatwerk. Hij kiest de faillissementen niet, die worden hem toegewezen. Er zijn veel externe factoren die maken dat de curator niet snel, goed en/of goedkoop kan leveren. En uitzonderingen zullen er altijd zijn.

De criteria snel en goedkoop zijn wel in te vullen[1]. Maar wanneer ben je goed als curator? Is een kamergeleerde per definitie een goede curator? Als een curator bovengemiddeld uitdeelt? Is een curator goed als de rechter-commissaris tevreden is? Of is die goed als de gezamenlijke schuldeisers tevreden zijn? Of juist de schuldeisers die “in the money” zijn? En hoe zit het met andere stakeholders? Best moeilijke vragen. Misschien is de zoektocht naar het antwoord wel belangrijker dan het antwoord zelf.

RC’s zoeken naar criteria voor de inhoudelijke kwaliteit. Het lijkt mij niet wenselijk, maar ook niet verstandig als curatoren zich aan die zoektocht onttrekken. Curatoren die niet meezoeken hebben ook niets te vinden.

Waar te beginnen? Klanttevredenheidsonderzoeken, het bijhouden van een curriculum, tellen van klachten, intervisie, vaardigheden opbouwen, en ja, misschien ook wel een (al dan niet geheim) rapportcijfer van de RC. Genoeg te bedenken, niet allemaal geschikt. Maar gezamenlijk beter dan het hebben van geen clou.

Samen op zoek naar de ideale curator!


[1] Voor meer cijfers en een idee over goedkoop en snel, zie mijn website failimprove.nl. RC’s en curatoren kunnen hier inloggen en hun eigen dossiers spiegelen aan de landelijke praktijk en de praktijk van hun arrondissement.